Ik schrijf korte verhaaltjes over dagelijkse dingen. Soms is het fictief - het had kunnen gebeuren, in werkelijkheid alleen een droom, gedachte of hersenspinsel - maar misschien wél waargebeurd in een ander universum. Ik zou het tof vinden als je mijn schrijfontwikkelingen volgt.
31
augustus
Hij rijdt op zijn rode fiets naar school.
Zijn rode racefiets is heel snel, zegt hij. 'Kijk eens hoe hard ik ga over de klinkertjes!' Hij gaat staan op de trappers en duwt zich aan zijn kleine armpjes omhoog op het stuur, een brug vormend met zijn kleine bolle rug. Mijn kleine jongen maakt een sprongetje met zijn fiets.
'Mijn wielen kwamen van de grond, mama!' 'Wauw', zeg ik, 'dat is knap van jou, lieverd. Dat
lukt mama nooit.' En dat klopt, ik haal het me niet in mijn hoofd. Straks lig ik languit op straat. Hij zet aan en fietst wat harder vooruit. 'Dag eenden!' roept hij, terwijl we samenlinksaf slaan en de sloot uit het zicht verdwijnt. 'Goedemorgen school!'
Daar zijn we weer na zes weken vakantie. De jongen parkeert zijn fiets bij het hek en ik moet hem helpen het slot vast te maken. 'Ik pak mijn tas zelf wel' roept hij, terwijl hij de tas uit het mandje van mijn fiets vist en op zijn rug doet. 'Zal ik nog even meelopen?' bied ik aan. Hij grijpt mijn hand vast en samen lopen we naar de ingang. 'Je hoeft niet mee naar binnen hoor mam…' Ik krijg een hele stevige kroel en een hele dikke kus.
En daar loopt mijn jongste zoon naar binnen,
bij de kleuters.
Alsof hij al jaren naar school gaat.
Glunderend stapt hij binnen met een plastic zakje in zijn hand. Hij houdt het trots omhoog, zodat iedereen in de kamer het goed kan zien. “Eindelijk heb ik een goudvis!” Hij mocht er een bij opa uit de vijver komen vissen. Zorgvuldig hangt hij het zakje met goudvis in het water van het aquarium. “Dan kan de vis wennen aan de watertemperatuur”, herhaalt hij de woorden van opa.
Elke vijf minuten neemt hij een kijkje bij zijn vis en concludeert dat er best wel een sterke stroming staat in het kleine aquarium. “Dat komt door het pompje” legt mama uit. “Het water blijft vers als het stroomt. Als het stilstaat wordt het water vies en dat is ongezond voor de vis. En vissen houden ook wel van een beetje stroming in het water, kijk maar.” Ze kijken samen naar de vis die steeds tegen de stroming in zwemt en zich dan weer even mee laat vieren naar de andere kant van het aquarium. “Forellen doen dat toch ook, mama? Tegen de stroom in zwemmen?” vraagt hij. “Ja dat klopt, dat zijn hele sterke vissen” zegt mama.
De vis begint opnieuw aan tocht tegen de stroom in, en denkt, "Als ik later groot ben, word ik Forel!"
01
september
02
september
Ik sluit mijn ogen en adem diep in door mijn neus. Voorzichtig blaas ik de lucht via mijn
lippen naar buiten. Mijn ogen gaan weer open, het is stil om mij heen. Langzaam zak ik door mijn knieën en rond ik mijn rug. Ik sta in een lijn met mijn linkerknie boven mijn voet. Mijn linkerarm gebogen voor me en mijn rechterarm hou ik iets gebogen naar achteren. Goed luisteren en héél stil blijven staan. Je kunt een speld horen vallen. Pang!
Ik sprint naar voren. Klap, klap, klap, klap, klap, klap. Pats, de bocht door, strak langs de rode dopjes. Mijn bewegingen volgen zich in rap tempo op, alle spanning aan de start vertaalt zich in de explosie die nu plaatsvindt. Mijn slagen verlengen zich iets, maar niet te veel... Nu aanzetten voor de binnenbocht, strak blijven lopen om in de baan te blijven, wat met deze snelheid een uitdaging is. Mijn armen zwaaien om en om naar voren, nog even dat extra beetje kracht en mijn linkervoet schuift naar voren.
PR op de 500 meter.
Voorzichtig zet ze haar linkervoet voorbij de rechter. Ze heeft maar een heel smal stukje waar ze overheen kan lopen. Haar armen heeft ze aan weerszijden dwars in de lucht. Alles om maar in evenwicht te blijven. De ondergrond slingert en langzaam schuifelt ze voort.
Zweetdruppels vormen zich langs haar haargrens. Ze durft niet naar beneden te kijken, want dan gaat het mis en is alles voor niets geweest.
De seconden tikken voorbij.
Nog een laatste stap en is ze aan de overkant.
Ze zet haar voet neer - krijgt geen grip - glibbert omlaag en…
Plons!
Daar ligt ze in het water. Als ze weer boven komt, kan ze alleen maar lachen.
Er wordt een arm naar haar uitgestoken, die ze gretig beetpakt.
“Gefeliciteerd” zegt ze tegen het andere meisje.
03
september
04
september
“Er loopt een beest in de tuin, mam!” gilt hij voor het raam. Hij wijst met zijn kleine vingertje naar de glijbaan. Er stapt iets heen en weer, maar er staan teveel planten omheen om te kunnen zien wat het is. “Daar gaat hij” zegt de kleine jongen tegen zijn moeder. Het ging te vlug voorbij en ze zijn er nog steeds niet achter wat het is. “Wat denk jij dat het voor beest is?” vraagt mama hem. “Het is een tijger” antwoordt hij stellig. Mama lacht “Dan moeten we de deuren goed op slot doen en de dierentuin bellen” Er gaan weer sprieten heen en weer en er ritselt iets. Nu schiet er een grijskleurig iets voorbij. “Ik denk dat het toch geen tijger is”, komt de jongen terug op zijn besluit. “Maar het is zeker weten een roofvogel!”
Ademloos blijft hij door het raam de bewegingen buiten volgen. “Ik weet zeker dat het een adelaar is”, verzucht hij. Vol spanning kijkt hij hoe de sprieten in de richting van het terras bewegen.
Daar komt het…
Dan lachen ze allebei.
Het is een dikke duif.
“Hier heb je een ananas, zwaard en goud”, hij grabbelt een Coco-kaart van de stapel. “Yes!” Snel zet hij een nieuw fort neer, aansluitend op de rij met forten en boten die hij al gebouwd heeft in zijn route langs zwaarden eiland, schapen eiland en het eiland met goud zakken. Zijn broer is aan de beurt en gooit 6. “Nu mag ik de piraat verplaatsen” gilt de oudste en hij slaat met zijn vuist op tafel. Terwijl de piraat verplaatst wordt, roept de jongste “flap, flap, flap”, alsof de piratenvogel naar een ander eiland vliegt. “Die kraai pikt ook alles af” zucht mama, “voorlopig geen hout voor mij”. De oudste int de winst en legt een boot in de route. Nu is mama aan de beurt. “4” quasi teleurgesteld, snift ze dat ze geen hout krijgt, omdat die rare piraten-vogel er staat. De jongste slaat een arm om haar heen “ik kan je niet helpen mama, je bent gewoon niet zo goed in dit spelletje” mama geeft hem een knipoog, “Jij bent weer aan de beurt”. Terwijl hij de dobbelsteen in zijn vuistje neemt, blaast hij erin. “Ik hoop dat ik 2 gooi, dan heb ik weer genoeg voor een Coco-kaart” en ja hoor, hij gooit 2. Weer ruilt hij de grondstof kaartjes voor een Coco-kaart en weer mag hij een fort bouwen of een boot neerleggen. Gewonnen. Hij heeft 7 forten gebouwd.
De Koning van Catan is het nog niet verleerd sinds de grote vakantie.
08
september
14
september
"Ik heb een appel voor je."
Hij houdt de appel voor het kleine gat in de boom.
"Je moet even luisteren of je wat hoort", zegt papa. Hij zit op zijn hurken naast het jongetje. Het jongetje klopt nog eens op de met mos begroeide boomschors, "joehoe, ben je thuis?" Hij kijkt vragend. "Kaboutertje!" Nu roept hij wat harder.
... Geen antwoord.
De jongen stapt op zijn fiets, "Hij is op vakantie, pap. Eet jij zijn appel maar op." En dan scheurt hij weg, ondersteund door de zijwieltjes die aan zijn fiets zitten.
Papa legt de appel bij de boom en sjokt achter zijn zoon aan.
In de schemering van de avond knipt het licht aan in de oude eik.
De kabouter gaapt, " Dat was een lekker middagdutje, ik droomde dat ik iemand hoorde kloppen ". Hij opent de deur en ziet de appel liggen. "Hmmm, wat lekker! Dat wordt appelmoes vanavond."
Torenhoog, soms wit. Soms van onder groen. Het lijkt alsof ze een zijn met de omgeving.
De bladen zijn groot, vangen de wind en draaien. Mee met de windrichting.
Woesh… Woesh… Woesh…
Op een regenachtige dag lijkt de oude polder te herleven. Waar je ook kijkt is er rust, het voelt als… Rust.
Op een heldere dag staan ze te prijken. Zover als het oog kan zien. Verder dan de horizon.
Ook de polder gaat mee met de tijd. Geen paard en wagen meer, maar combines en andere landbouwmachines bewerken het land voor de oogst.
Het uitzicht op de windmolens hoort erbij.
Een ander doel dan toen de eilanden werden ingepolderd, nu wekken ze energie op.
14
september
20
september
Zéker een derde van het glas vult zich met een dikke stevige schuimlaag. Ik leg mijn lepeltje erop om te beslissen of ik het schuim stevig genoeg vind.
Hij trekt een gezicht alsof hij zich afvraagt wat ik in hemelsnaam aan het doen ben.
“Het is gewoon iets wat ik me afvraag”, zeg ik, terwijl ik tevreden kijk hoe de lepel op de schuimlaag blijft liggen.
Stiekem moet hij een beetje lachen. Het was hem al opgevallen dat ik dit bij elke cappuccino of latte macchiato doe.
“Ik word er gewoon blij van als de schuimlaag stevig is”, ga ik verder. Ik bekijk mijn latte goedkeurend. Hij neemt een slok van zijn espresso. Ik neem een hapje van het melkschuim.
De volgende dag app ik hem een foto van mijn goedgekeurde latte, mét lepel op de schuimlaag.
Omdat ik weet dat hij dan een beetje moet lachen.
De rood-gele gloed verlicht de kamer in de schemering van de ochtend. Hij draait zijn stoel naar het licht, zodat zijn blote voeten warm worden van de vloer. De slaap zit nog in zijn ogen. Hij wrijft erin. Er volgt een dikke gaap.
De vlammen likken langs de wanden van de kachel.
“Neem je nog een hapje van je boterham?”
“Het is veel te vroeg om te eten, mama”
“Je gaat zo naar school, daar kun je niet met een lege maag aankomen, lieverd. Als je een paar hapjes neemt, merk je vanzelf dat je het ook iets warmer krijgt", vervolgt zijn moeder.
“Mag ik dan ook een beetje warme thee?”
“Natuurlijk, lieverd. Ga je dan lekker eten?”
Met één hand propt hij zijn boterham naar binnen. “Op” luidt het met overvolle mond. Mama schiet in de lach.
“Nu mag ik met de lego!” Hij rent weg bij de kachel om de grote doos met legosteentjes te pakken. Alles wordt uitgestald in de oranje gloed, want daar is het lekker warm.
En de thee? Die staat koud te worden.
07
oktober
08
oktober
Met een bibberende stem geeft ze antwoord,
“Ik, ik weet het niet.”
Ze haalt een verfrommeld papiertje uit haar zak. “Hier!” Er zou iets op moeten staan, maar door de regen is de inkt uitgelopen waarmee de boodschap gescreven is. “Het spijt me heel erg…” Ze durft hem niet aan te kijken en draait met de toppen van haar tenen heen en weer in het zand. Hij laat zijn handen om haar middel rusten. “Het maakt niet uit”, zucht hij zacht. “De boodschap was alleen een middel om je hier te krijgen. Op het strand. Bij mij”.
Hij drukt een zachte kus op haar voorhoofd. Samen staan ze in de gloed van de ondergaande zon.
De wind ruist zacht en de meeuwen krijsen op de achtergrond. Hij pakt haar hand, “Kom, laten we gaan. Ik ben blij dat je gekomen bent.”
Haar schouders zakken als de spanning uit haar lichaam glijdt. Is ze daar nu al die tijd bang voor geweest? Zijn reactie is anders dan wat zich in haar hoofd afspeelde.
Er klinkt een luide gelukkige zucht door de kamer, “Als je er vanaf deze kant naar kijkt, is ie nóg mooier!”
“Ik kan me die zin van heel lang geleden herinneren, maar toen was het nog tegen je meisje”.
“Kijk hem glimmen, mooi hé?
“Ik zie jou glimmen”
“Nee, kijk nu eens,” zegt hij serieus.
“Oh dat?”Ze kijkt hem met een scheef lachje aan. Hij rolt met zijn ogen alsof ze hem niet serieus genoeg neemt.
“En in de schemering van de sfeerverlichting staat hij er nog mooier bij”
“In de woonkamer…”
Als een kleine jongen, zo groos is hij op zijn nieuwe fiets.
08
oktober
08
oktober
Het is zacht, aaibaar groen, verkoelend, maar droog en het ruikt fris.
De vingertjes gaan er zachtjes overheen.
Het wordt een vlakke hand.
Of twee.
Oh, beetgrijpen kan ook!
Twee ogen kijken zoekend rond. Alles groen, zacht, aaibaar.
Nu de blote teentjes. Eerst van de ene voet. Dan volgen de teentjes van de andere.
Twee blote voeten én handen in het gras.
De eerste kennismaking was positief.
Ze staan op de brug en buigen over de reling. Kijken naar beneden. Een van de jongens heeft een hengel in zijn hand. De andere draagt een emmer. “Zouden hier genoeg vissen zitten?” Vraagt de linker jongen aan de rechter.
De rechter jongen, Bas, tuurt in het water. “Slecht te zien, het water is nogal donker. Maar laten we het proberen.”
Bas rolt tussen duim en wijsvinger een balletje van het oude witte brood. Hij maakt het haakje los, dat veilig aan de hengel vastgemaakt zit en drukt het balletje aan de haak. Hij strekt de hengel naar achteren en werpt. Het aas zwaait aan de draad een stukje verderop het water in.
Na een paar minuten stilte rimpelt het water. De jongens houden hun adem in. De dobber duikt naar beneden.
“Beet!” Gilt Pascal. “Hoe groot zou ie zijn? Haal hem binnen! Haal hem binnen!”
Bas trekt de draad omhoog. Geen vis te bekennen en het brood is weg.
Opnieuw rolt Bas een balletje van het brood en drukt het op de haak. Haalt de hengel naar achteren en werpt. De draad trekt. Bas trekt aan de hengel.De draad zit vast. Hij trekt de hengel nog een keer naar voren. De draad geeft wel iets mee, maar daarna trekt het krachtig terug. Pascal draait zich om. Hij kijkt verbaasd en stoot Bas aan.
“Rennen!”
Even verderop kijken een paar jongens boos naar Bas en Pascal.
Ze hebben een opblaasboot gevangen.
19
oktober
01
november
De avondzon schijnt helder als ik hem kom ophalen halen bij opa en oma.
Wanneer ik binnen stap staat er een kleurrijk bouwwerk van duplo stenen op me te wachten op de eiken vloer in de knusse, warme woonkamer. De geur van mediterrane kruiden komt me tegemoet, oma is bezig met het avondeten.
Achter het bouwwerk zit een jongetje met blonde haren en blauwe ogen, van een jaar of 5, met een brede grijns. Hij steekt zijn duim in de lucht en begroet me trots!
Ik voel me moe, maar doordat hij zo vrolijk is krijg ik weer energie. Ik heb hem gemist.
We maken een gezellig praatje, om daarna zijn jas en tas bij elkaar te pakken en gedag te zeggen tegen opa en oma.
Dan stappen we de deur uit op weg naar huis.
Eigenlijk moet ik hem voortaan wat vroeger ophalen, zodat we meer van elkaars aanwezigheid kunnen genieten.
Starend naar de dikke wolken, zoek ik steeds naar woorden, maar kan ze niet vinden. Hoe dieper ik graaf in mijn geheugen, in de woordenschat die ik bezit, ze zijn er niet. Nee, echt, ik verzin het niet. Mijn hoofd is een holle leegte. Een balzaal met misschien een paar spinnenwebben in de hoeken, maar daar is ook alles mee gezegd. Herinneringen daar heb ik er wel veel van. Genoeg zelfs. Maar na een leven lang aan gebeurtenissen lijken die ook aan me te ontsnappen. Jammer is dat. Ik kan ze niet meer vasthouden. Wild zwaai ik met mijn armen, maar de beelden glippen me door de vingers en verwaaien in de wind.
Teneergeslagen laat ik het maar gaan, ik verzet me niet meer en zak terug in mijn stoel.
Starend naar de dikke wolken met een glazige blik. Er kan geen lachje meer af.
25
november
© 2024 -Zuiderwijkoriginal.nl | Kitty Schrijft